'Een eenvoudiger wetboek is beter hanteerbaar in de praktijk'

Voor elke professional in de wereld van het strafrecht gaat het nieuwe Wetboek van Strafvordering werk schelen, denkt Gerrit van der Burg, voorzitter van het College van Procureurs-Generaal van het Openbaar Ministerie. Natuurlijk, zegt hij, de nieuwe systematiek zal  wennen zijn, maar een eenvoudiger wetboek is beter hanteerbaar in de praktijk en 'dat gaat tijd schelen'.

Van der Burg

Van der Burg omschrijft het Wetboek van Strafvordering zonder aarzeling als 'het spoorboek van iedere OM'er'. 'Ik schat in dat elke officier van justitie elke dag wel even dat wetboek opslaat om bevestiging te vinden, dan wel om nog eens goed te kijken naar wat de wet bepaalt in een specifiek geval. Geen enkele casus is hetzelfde, dus samen met het Wetboek van Strafrecht is het Wetboek van Strafvordering echt het allerbelangrijkste naslagwerk voor elke collega.'

Een van de redenen, zegt Van der Burg, waarom zijn mensen nog zo vaak het Wetboek van Strafvordering in moeten, is dat het in de loop der jaren wel heel ingewikkeld is geworden. 'Ingewikkeld in systematiek en opbouw. Met alle wijzigingen is het nu echt een lappendeken geworden van allerlei bepalingen. De regeling voor taps bijvoorbeeld staat er wel drie keer in, steeds in net verschillende modaliteiten. Mijn verwachting is dat voor elke beroepsbeoefenaar in onze wereld het nieuwe wetboek een stuk eenvoudiger zal zijn dan het oude. Dat gaat tijd schelen.'

'Balans in de rechtsstaat'

Ook dat het nieuwe wetboek grosso modo minder gedetailleerd is, bevalt Van der Burg. 'Naarmate je zaken gedetailleerder regelt en opschrijft, is de toepasbaarheid minder. Als je, met expliciet waarborgen voor de verdachte, het eenvoudiger kunt formuleren, is het beter hanteerbaar in de praktijk. Voor het OM betekent het trouwens een enorme omschakeling, want we zijn natuurlijk  wel gewend aan die oude opbouw en rubriceringen. Iedereen moet worden omgeschoold en moet wennen aan de nieuwe systematiek.'

Voor de praktijk niet belangrijk, maar voor de rechtsstaat wel: in het nieuwe wetboek staan expliciet de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. 'Vroeger moest je dat halen uit de jurisprudentie', zegt Van der Burg. 'Dat werkte ook, maar het is belangrijk dat je datgene dat in de praktijk goed marcheert ook codificeert, zodat voor een ieder duidelijk is wat de waarborgen zijn eer wij aan de slag mogen. Dat is die belangrijke balans in de rechtsstaat.'

'Geloof in kortere doorlooptijden'

De collegevoorzitter onderschrijft de verwachting dat met inwerkingtreding van het nieuwe wetboek - volgens verwachting in 2026 - doorlooptijden korter kunnen worden. 'De winst zit hem erin dat onderzoeken meer af naar de zitting komen. De rechter-commissaris bepaalt veel meer en sterker wat uiteindelijk het resultaat van het onderzoek gaat worden, en pas dan gaat de zaak naar de zitting. Ik geloof in de winst die dat kan opleveren, maar ik ben wel een tikkeltje voorzichtig. Winst in doorlooptijden wordt niet alleen daardoor bepaald, maar ook door de capaciteit die onze organisaties hebben om een groeiende stroom aan zaken af te doen. Capaciteit, daar gaat het nieuwe wetboek niet over. En het is ook belangrijk dat advocaten de gelegenheid krijgen om hun werk goed te doen, dus dat betekent wellicht ook nog wel iets in het regelen en financieren van rechtsbijstand in die voorfase.'

Een actievere rechter-commissaris heeft ook zijn weerslag op het werk van de officier van justitie, zegt Van der Burg. 'Die ziet in een eerdere fase meer op zich afkomen dan nu en daar zullen we aan moeten wennen. Actiever contact onderhouden met de verdachte of zijn advocaat, eerder reageren op verzoeken van de verdediging, actiever sturen eer een zaak naar de zitting gaat, meer overleg met de rechter-commissaris die, schat ik zo in, eerder dan nu getuigen horen. Al die handelingen gebeuren nu ook, maar ze worden uitgesmeerd over een langere periode.'

De nieuwe werkwijze zal hoe dan ook betekenen dat de rechter de inhoudelijke behandeling van strafzaken minder vaak zal aanhouden, zegt Van der Burg. 'Je zult niet alle aanhoudingen kunnen voorkomen. Het kan nog altijd zijn dat de tolk niet komt opdagen of dat de advocaat is verhinderd. Maar je voorkomt wel behoorlijk wat inhoudelijke aanhoudingen.'

Digitale bevoegdheden

Belangrijk voor het OM zijn de nieuwe digitale opsporingsbevoegdheden. Van der Burg: 'Dan denk ik aan de netwerkzoeking op afstand, maar ook aan het bevel data-analyse: nu kunnen we alleen een bevel datadump geven, waarbij aan een provider wordt gevraagd alle telecomgegevens aan te leveren van tijdstip A tot tijdstip B, waarbij we vervolgens zelf moeten filteren en selecteren. Straks kunnen we ook vragen om specifieke data, zodat we veel gerichter kunnen zoeken.'

Audiovisueel bewijs

Een andere belangrijke verandering volgens Van der Burg: in het nieuwe wetboek krijgen audiovisuele middelen bewijskracht, worden onderdeel van het strafdossier en hoeven voortaan alleen nog maar vergezeld te gaan van een verkort proces-verbaal. 'Nu wordt elk tapgesprek nog uitgewerkt, straks kan de opname met relevante tapgesprekken aan het dossier worden gehecht', schetst Van der Burg. 'Daar hoort overigens nog steeds een verkort proces-verbaal bij. Je kunt je dat voorstellen als een pv dat omschrijft waar de relevante gesprekken zitten, met een korte inhoudelijke aanduiding zodat je ze makkelijk kunt opzoeken en controleren. Hoe dan ook is het heel wat anders dan die mappen vol met uitgewerkte tapgesprekken waar we nu nog mee te maken hebben. Nu hebben beelden alleen bewijskracht als de rechter ze in de zittingszaal ziet. Straks hebben ze hoe dan ook bewijskracht, en reken erop dat de bewijskracht van camerabeelden groot is. Dat zit in het simpele feit dat je het ziet in plaats van op papier leest. En al moet je steeds goed letten op de dingen die je niet ziet en context waarin die beelden zijn gemaakt, dat komt toch harder binnen.'

Videoboodschap van Gerrit van der Burg over het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering.

Er zijn verschillende soorten van maatschappelijk belang in de nieuwe wet. In de eerste plaats is er een betere balans geregeld tussen de waarborgen voor verdachten en slachtoffers, waar ze op mogen rekenen in een democratische samenleving, en datgene wat politie en Openbaar Ministerie moeten doen, namelijk opsporen en vervolgen. Dus die belangen zijn expliciet en goed geformuleerd in deze wet. Dat is een, en in de tweede plaats kunnen wij, vanuit de politie en het Openbaar Ministerie, beter en gerichter opsporingsmethoden inzetten. Die bevoegdheden zijn klip en klaar geregeld en dat geeft ons de gelegenheid om schrijnende misdrijven op te lossen, en geeft de verdachte en het slachtoffer de gelegenheid om hun rechten op een goed en rechtsstatelijke manier waar te maken. En vervolgens, en daar rekenen we heel erg op: door het verleggen van het zwaartepunt van het onderzoek inde voorfase, dus voordat de zitting begint, gaan we ervan uit dat we een versnelling kunnen bereiken in het afdoen van zaken waardoor de doorlooptijden korter worden. En dat is natuurlijk hartstikke belangrijk, zowel voor de verdachte als voor een slechtoffer. Want je ziet uit naar het einde van het onderzoek waarbij je betrokken bent en waarin je daadwerkelijk een rol hebt gespeeld, hetzij de een, hetzij de ander.