Een moderne en slagvaardige misdaadbestrijding

'Beweging naar voren' voor kortere doorlooptijden

Het gemoderniseerde wetboek legt meer nadruk op het voorbereidend onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling van een strafzaak op de rechtszitting. De rechter kan zo - vooral bij grotere strafzaken - beter sturen tijdens het voorbereidend onderzoek, nog voor de inhoudelijke behandeling van een strafzaak.

De nieuwe werkwijze is te kenschetsen als een 'beweging naar voren'. In het gemoderniseerde wetboek is het uitgangspunt dat een strafzaak wordt ingepland voor inhoudelijke behandeling op zitting als de zaak daar rijp voor is. De rechter-commissaris neemt de onderzoeksbeslissingen tot het moment dat de officier van justitie de procesinleiding heeft ingediend. Dat betekent: geen driemaandelijkse pro-formazittingen meer, snellere beslissingen en sneller uitvoeren van onderzoekswensen.

Nadat de procesinleiding is ingediend, neemt de zittingsrechter de regie over tot het moment van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De rechter kan bijvoorbeeld voor de zitting een schriftelijke ronde houden, waarbij de officier van justitie en de verdachte op papier standpunten uitwisselen. Verzoeken om getuigen ter zitting te horen gaan voortaan rechtstreeks naar de rechter in plaats van naar de officier van justitie, zoals nu. De rechter plant enkel nog een regiezitting in als hij dat nodig vindt en bepaalt met het OM en de verdediging wanneer de zaak op zitting wordt behandeld.

De nieuwe praktijk zal leiden tot minder onnodige aanhoudingen van strafzaken. Zo schept het gemoderniseerde wetboek de voorwaarden voor kortere doorlooptijden. Dat draagt bij aan een snellere procesvoering en aan het rechtsgevoel van iedere burger.

Nieuwe digitale opsporingsbevoegdheden

Met het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering kunnen politie en justitie beter optreden tegen nieuwe vormen van digitale criminaliteit. Het bevat nieuwe bevoegdheden om deze vorm van criminaliteit op te sporen, waarbij duidelijk is omschreven wie deze mag inzetten en onder welke voorwaarden. Het gaat bijvoorbeeld om de netwerkzoeking na inbeslagneming (opsporingsambtenaren mogen in de toekomst ook netwerken doorzoeken vanaf het bureau, nu mag dat alleen op de plek van de doorzoeking) en het bevel data-analyse (de politie mag aan providers vragen om bewerkte data, in plaats van enkel ruwe data zoals nu). Ook de regels voor onderzoek aan smartphones krijgen een heldere wettelijke basis.

Belangrijk is dat het gemoderniseerde wetboek techniekonafhankelijk is. Het is zo geformuleerd dat het minder gevoelig is voor de snelle ontwikkeling van digitale technieken. Zo kan de opsporing steeds beschikken over de bevoegdheden die nodig zijn om mee te gaan met technische ontwikkelingen en ook op die manier grip houden op (methoden van) complexe criminele organisaties.