In de reeks ‘Het wetboek van morgen’ belichten we het werk van professionals die zich inzetten voor de vernieuwing van het Wetboek van Strafvordering. Ze komen uit verschillende delen van de strafrechtketen, van Politie tot Zittende Magistratuur. Waar houden zij zich mee bezig? Waar lopen zij tegenaan? En vooral: hoe werken zij samen met andere ketenpartners om het strafproces beter, eerlijker en werkbaarder te maken? Wilma Groos, voorzitter van de coördinatiegroep nieuw Wetboek van Strafvordering (nWvSv), trapt af.

Beeld: EMMA

1. Hoe houd jij je bezig met het nieuwe Wetboek van Strafvordering?

Wilma: “Ik ben senior raadsheer bij het Hof Amsterdam, en vanuit de Raad voor de Rechtspraak grotendeels gedetacheerd als programmamanager nWvSv. Dat betekent dat ik verantwoordelijk ben voor de implementatie van het nWvSv binnen de Rechtspraak. Ik ben ook voorzitter van de coördinatiegroep nWvSv. Daarin zitten mijn collega-programmamanagers van andere organisaties in de strafrechtketen, zoals het Openbaar Ministerie (OM) en de Nationale Politie, maar ook bijvoorbeeld DJI, Reclassering Nederland en Slachtofferhulp.”

“Wij staan er als individuele organisatie voor aan de lat om binnen onze eigen organisatie, maar ook gezamenlijk als strafrechtketen, te zorgen dat we klaar zijn voor de invoering van het nWvSv op 1 april 2029. We overleggen met elkaar over wat daarvoor nodig is en waar overlap zit. Zo werken we vanuit de Rechtspraak samen met het OM, omdat we één opleidingsinstituut hebben. De Politie doet veel aan voorlichting voor hun eigen mensen door middel van podcasts. Dat vinden wij ook interessant, dus leren we als organisaties ook van elkaar. Het is goed om dat soort dingen met elkaar te delen en best practices over te nemen.”

“Sinds een aantal jaren is de totstandkoming van het nieuwe wetboek binnen de Rechtspraak geformaliseerd in een programma, maar ik ben hier persoonlijk al meer dan tien jaar mee bezig. Eerst ging dat over vragen als: ‘Is er behoefte aan een nieuw wetboek en hoe moet dat er dan uit komen te zien?’ Nu kijken we naar de uitvoerbaarheid voor de Rechtspraak van alle voorgenomen regelgeving van nWvSv, zoals de aanvullingswetten en uitvoeringsbesluiten, maar ook naar de invloed op werkprocessen, opleiding en informatievoorziening (IV).”

“Dat organisaties zo vroeg betrokken worden bij een wetgevingstraject, dat was nog nooit gedaan in de strafrechtketen. Daarvoor is ook gekeken naar het wetgevingstraject van de Omgevingswet, want daar is dit wel gedaan. Dat heeft goed gewerkt.”

2. Waarom is wat jij doet belangrijk voor de strafrechtketen?

“Voordat ik programmamanager werd, heb ik bij het OM gewerkt, in de strafadvocatuur, in de strafkamer van de Hoge Raad, was ik betrokken bij de implementatie van de Pluk-ze-wetgeving [gericht op het afnemen van financieel voordeel dat is verkregen door het plegen van een strafbaar feit, red.] en bij de oprichting van de Verkeerstorens voor OM en Rechtspraak. Dus ik wist al het een en ander over het proces van wetsimplementatie en de consequenties daarvan voor de organisaties en hun medewerkers. Ik heb best veel van de strafrechtketen gezien; dat helpt omdat je weet wat de belangen zijn van de verschillende organisaties.”

“Mijn werk is veel regelen, gelukkig vind ik dat leuk. Maar het is ook inhoud. Hoe zorgen we dat het nieuwe wetboek toepasbaar is? Dat vraagt heel goed kijken en afstemmen. In de coördinatiegroep bekijken we bijvoorbeeld welke opleidingen nodig zijn [om het eigen personeel te scholen in het nWvSv], en hoe we dat gaan organiseren. Als je te vroeg begint, krijg je de mensen niet mee. Maar je wilt ook niet te laat zijn.”

“Een nog veel belangrijkere opgave is digitalisering, de IV-opgave. Want zoals we nu zien bij het OM [het OM koppelde alle systemen los van het internet na een hack, red.]: als het niet werkt, dan heeft de hele strafrechtketen daar last van. Maar als het wel werkt, dan is het fantastisch, want het digitaal delen en aanleveren van stukken gaat een stuk sneller. En het is ook voor de burger fijn als-ie online kan zien hoe het staat met zijn zaak, of digitaal stukken kan aanleveren. In de coördinatiegroep bespreken we dan met elkaar hoe je dit moet faciliteren. Maak je één portaal waarin alle stukken te vinden zijn? Wie gaat daar over? En wie mag daar dan in? Voor de Rechtspraak is extra complicerend dat we naast strafrecht ook andere rechtsgebieden bedienen zoals familierecht, belastingrecht of bestuursrecht.”

3. Samenwerking tussen ketenpartners is cruciaal in het traject naar het nieuwe Wetboek. Hoe zie jij dit terug in jouw dagelijks werk?

“Als door het nieuwe wetboek de omvang van de werklast toeneemt, dan kan dat invloed hebben op financiën, werkprocessen of de manier waarop je middelen inzet. Stel dat de Politie minder op straat is omdat er meer ingezet moet worden op opleiding. Dat heeft ook invloed op het werk van andere organisaties in de keten omdat er minder proces-verbalen worden opgemaakt. We denken binnen de coördinatiegroep verschillende scenario’s uit om tijdig te kunnen anticiperen op wat er kan gebeuren. Je moet dus van elkaar weten waar je mee bezig bent en wie wat nodig heeft.”

“In het nieuwe wetboek staat bijvoorbeeld dat het oproepen van een getuige, dat vroeger bij de Officier van Justitie moest gebeuren en waarover een rechter op zitting moest beslissen, nu ook op voorhand kan worden gedaan bij de rechter-commissaris. De rechter-commissaris kan hier dan voor de zitting plaatsvindt al een beslissing over nemen en de getuige horen. De bedoeling is dat zoveel mogelijk (voor)onderzoek gedaan wordt voorafgaand aan de terechtzitting.”

“Het idee is dat je bij de rechter-commissaris een stukje regie kunt neerleggen; die krijgt meer bevoegdheden, maar geen middelen om de verdediging en het OM te dwingen tijdig onderzoekswensen op te geven. De rechter-commissaris is daarnaast al reuze druk met allerlei andere dingen, dus vanuit de Rechtspraak zijn we nog wel aarzelend of het [beleggen van meer regie bij de rechter-commissaris] werkt. We moeten zien hoe die afhankelijkheid van de procespartijen uitwerkt.”

“Doordat we vroeg zijn betrokken in het wetgevingstraject, hebben we elkaar goed leren kennen en zie je elkaars behoeften binnen de strafrechtketen. Als iets niet lukt, dan kunnen we dat tijdig aangeven. Wij koppelen terug naar onze eigen bestuurders, maar ook naar het Bestuurlijk Ketenberaad (BKB).”

4. Welk succes heb je de afgelopen tijd geboekt op weg naar het nieuwe Wetboek?

“Een succes van de coördinatiegroep is dat we echt een groep zijn. We hebben expliciet met elkaar besproken: wat verwacht je van deze groep? Waar heb je behoefte aan? Het is belangrijk dat je vaste mensen hebt in de groep en dat er onderling vertrouwen is. Om dat te krijgen moet je veel laten zien wat je doet. We komen eens in de zoveel tijd bij elkaar langs. Dan laat je zien waar je werkt en wat je doet voor de implementatie van het wetboek vanuit jouw organisatie. Dat werkt goed.”

“Elke organisatie heeft zijn eigen cultuur en ook eigen belangen, dus je moet op zoek naar datgene wat bindt. Voor mij is dat die datum van 1 april 2029 waar we allemaal naartoe werken, en dat we allemaal een grote opgave hebben met de komst van het nieuwe wetboek. Of je nou een kleine of grote organisatie bent. Ik denk dat dat door iedereen ook wel zo wordt gevoeld. We maken daarom gezamenlijk een meerjarenplanning met daarin alle gezamenlijke dingen die we willen bereiken. Het werkt omdat je elkaar kent, je kunt elkaar makkelijker bellen. Snelle een-tweetjes, samenwerken waar dat kan en moet, dat is ook de waarde van de coördinatiegroep.”

“Die datum van 1 april 2029 is trouwens in afstemming met de werkgroep gekozen. 1 januari lijkt misschien logischer, maar de Politie heeft het rond Oud en Nieuw altijd erg druk en ook voor de andere ketenpartners is dit een periode waar veel werkdruk ligt. Mede daarom is het 1 april geworden.”

5. Waar zie jij de grootste uitdaging in de toekomst?

“Ik denk dat dat het halen van de IV-opgave op 1 april 2029 is. Er komt veel bij kijken wat moet worden aangepast, systemen zijn verouderd.”

“Ik zou daarom ook wel willen zeggen: niet teveel nieuwe wetgeving tegelijkertijd. Nieuwe wetgeving is soms nodig, dat begrijp ik, maar ik ben voor enige beleidsluwte, want er ligt al zo’n grote opgave met het nWvSv.”

“Of het nieuwe wetboek de doorlooptijden gaat versnellen, moet ik in de praktijk ook nog zien. Dat zal van veel dingen afhangen. Zelfs als alle neuzen dezelfde kant op staan, kan het soms niet lukken om te versnellen. Het nieuwe werken vergt aanlooptijd. Ik wil maar zeggen: heb niet té hoge verwachtingen.”