In het voorjaar van 2024 zijn de normen voor de doorlooptijden van jeugdstrafzaken herijkt. Sindsdien hebben alle regio’s hier extra aandacht aan besteed en is er op verschillende manieren gewerkt aan het halen van de normen. Hoe staat het er nu voor? Een terug- en vooruitblik met Jessie Strohmaier, organisatieadviseur bij de directie Strafrechtketen.

Jessie Strohmaier

“Die extra aandacht voor deze doelgroep is welkom én nodig,” vertelt Jessie. “Het is namelijk belangrijk om snel te handelen, zeker als het gaat om zaken waarbij jonge mensen betrokken zijn. Zij leren veel meer van directe consequenties en feedback dan van uitgestelde feedback, weten we uit de criminologie, pedagogiek en ontwikkelingspsychologie. Ook weten we dat snelheid over het algemeen meer effect heeft op het leervermogen van jonge mensen dan de zwaarte van de straf.” 

De afgelopen twee jaar heeft Jessie zich gericht op het helpen van de organisaties in de strafrechtketen bij het verbeteren van de doorlooptijden in jeugdstrafzaken. Begin 2025 haalde zij samen met een collega een grote hoeveelheid data op bij de Politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de Rechtspraak. Het ging om geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens over de doorlooptijden van strafzaken uit 2024, die Jessie en haar collega vervolgens analyseerden. “Dit gaf ons inzicht in de tijd die nodig was om die zaken te behandelen en af te ronden.” 

In de dossiers duiken

Uit de analyse kwam iets positiefs naar voren: de ambitie van de Politie en het OM om 70 procent van alle zaken tijdig af te doen of door te sturen in 2026, werd in veel regio’s al gehaald. Tegelijkertijd vielen ook negatieve uitschieters op: zaken waarvan de afhandeling veel langer duurde dan de norm voorschrijft. 

Jessie: “Om te begrijpen wat daar misgaat, adviseerden we het OM en de Politie om in die dossiers te duiken, zodat processen verbeterd kunnen worden.” Daar is Dorine Krebber, adviseur Landelijke portefeuille Zorg en Veiligheid, binnen de Politie mee aan de slag gegaan. Door steekproefsgewijs vijf vertraagde zaken van ieder basisteam binnen de verschillende eenheden te bestuderen, bracht zij de belangrijkste oorzaken voor vertraging in kaart. Dorine: “We zagen dat het bij ons vaak te maken heeft met bijvoorbeeld de complexiteit van een zaak, de afstemming met betrokken partijen of procedurele en administratieve oorzaken.”

Als volgende stap zal Dorine de komende maanden een aantal zaken tot in detail ontleden. Het doel: helder krijgen waar de vertraging precies door wordt veroorzaakt, en waarom het in sommige gevallen wel goed gaat. De resultaten uit beide onderzoeken zullen worden gedeeld met de Politie-eenheden, zodat hiervan kan worden geleerd.

Complex koppelvlak

Jessie vertelt dat de grootste vertragingen lijken op te treden tussen het moment waarop het OM beslist om te dagvaarden en het moment waarop de daadwerkelijke zitting plaatsvindt. Het duurt te lang voordat een rechter de zaak kan behandelen. 
Jessie: “Denk bijvoorbeeld aan het plannen van de zaak, een proces dat in veel zaken door de Verkeerstorens wordt uitgevoerd. De Verkeerstorens hebben dit proces denk ik al verbeterd door zaken efficiënter en effectiever in te plannen dan voorheen. Bovendien is met name in enkelvoudige zaken het aanhoudingspercentage gedaald: het percentage zaken op zitting dat niet kan worden afgerond, bijvoorbeeld omdat er nog onderzoekshandelingen nodig zijn.”

Pauline Moeijes

Er is meer nodig

Jessie: “Tegelijkertijd is er, bijvoorbeeld vanwege de vele planningsregels en de beperkte beschikbaarheid van de verschillende procespartijen, meer nodig.” Daarom gaat Ketencoördinator Pauline Moeijes op zoek naar oplossingen, in samenwerking met Universiteit Twente. Pauline: “Van aangifte tot aan vonnis: we gaan het gehele proces analyseren. Daarbij gaan we ons nog meer richten op de koppelvlakken en kijken we onder andere of de uitstroom bij de ene instantie en de instroom bij de andere vallen te voorspellen, zodat ketenpartners hierop kunnen anticiperen.” Het doel is om niet alleen het proces te analyseren, maar ook om tot een werkbaar en implementeerbaar product te komen voor de praktijk.

Het plannen van zaken is overigens niet de enige uitdaging op dit koppelvlak. Jessie: “Wanneer het OM besluit om te dagvaarden, kan het OM bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) een Pro Justitia-rapport opvragen. Dit betekent dat een psycholoog of psychiater onderzoek gaat doen naar de verdachte. Een zaak wordt pas behandeld wanneer zo’n rapport beschikbaar is. Maar door een tekort aan psychiaters in verschillende regio’s zijn deze rapportages vaak niet snel klaar.” Voor een groot deel van deze uitdaging werken het OM en de Rechtspraak momenteel samen aan een plan van aanpak.
 

“Het is voor slachtoffers, jonge verdachten en daders niet duidelijk en vooral niet zo relevant op wie ze precies wachten.”

Extern in plaats van intern

Dat organisaties in de strafrechtketen nog vaak intern georiënteerd zijn, pakt ook nadelig uit voor de jongeren om wie het uiteindelijk gaat, ziet Jessie. “Iedere organisatie heeft eigen taken en verantwoordelijkheden, en die interne afbakening is voor professionals heel vanzelfsprekend. Maar voor slachtoffers, jonge verdachten en daders is die afbakening niet zo relevant, denk ik. Zij hebben te maken met één systeem, en het is voor hen niet duidelijk en niet zo relevant op wie ze precies wachten. Ze zullen zich bijvoorbeeld niet realiseren dat de Politie een dossier snel heeft verzonden naar het OM, maar dat het OM vervolgens niet snel genoeg een afdoeningsbeslissing nam.”

Jessie pleit dan ook voor verandering. “Publieke instellingen zouden juist die externe wereld centraal moeten stellen. Altijd. Het is dan ook mijn persoonlijke missie om die externe oriëntatie bij ketenpartners nog beter op de kaart te zetten, bijvoorbeeld via burgerparticipatie.” Zo werkte Jessie bijvoorbeeld mee aan een participatietraject met jonge daders en slachtoffers, georganiseerd door communicatieadviesbureau Young Works in Noord-Holland. Binnen dit traject delen jonge mensen hun ervaringen met de strafrechtketen. De resultaten zullen in de zomer van dit jaar gereed zijn. “Ik verwacht dat we een waardevolle spiegel voorgehouden krijgen en dat we inspiratie opdoen voor hoe het nog beter kan.” 

Een ketenaangelegenheid

Ook denkt Jessie dat de nieuwe regionale ketenmonitor Jeugd de ketensamenwerking verder gaat helpen. “De directie Strafrechtketen heeft samen met het Ketendatateam voor de regio’s een monitor gemaakt dat alle data van Politie, OM en ZM over voorraden en doorlooptijden samenbrengt. Op basis van die data wordt automatisch een dashboard gegenereerd met inzichten in de voorraadontwikkeling en doorlooptijden in de eigen regio.” 

Ruben Binnendijk

Jessie: “Ik hoop dat zo’n ketenmonitor - in welke vorm dan ook - bijdraagt aan het normaliseren dat voorraden en doorlooptijden een ketenaangelegenheid zijn: iets waarover je samen praat en waarop je samen stuurt, en niet alleen binnen de eigen organisatie.” Ruben Binnendijk, business analist bij het OM, gebruikt de ketenmonitor al om bij jeugdzaken te sturen op een snellere afdoening. Samen met Politie en de rechtbank. Ruben: “Het doel is om die samenwerking meer op te zoeken, door informatie en processen die voorheen gescheiden waren, samen te brengen.” 

De toekomst

Wat is er verder nog nodig om de streefnormen voor 2028 te halen? Jessie: “Dat bepalen experts uit de verschillende ketenorganisaties de komende tijd met elkaar. Mijn collega Aart-Jan den Besten neemt het stokje van mij over en begeleidt het gesprek hierover. Samen formuleren zij een ketenplan van aanpak voor het Coördinerend Beraad Jeugd (CBJ), dat naar verwachting in juni van dit jaar klaar zal zijn.”

Duidelijk is in ieder geval dat er in het land veel energie zit op dit dossier. “Die energie zorgt voor kortere doorlooptijden en betere resultaten, denk ik”, blikt Jessie terug op de afgelopen jaren. “Daarmee kunnen we in potentie recidive verminderen. Tegelijkertijd zijn er ook andere manieren om dit doel te bereiken. Daar geloof ik in.” Met haar blik gericht op de toekomst hoopt zij dat de strafrechtketen hier tijd in blijft investeren, en dat ketenpartners durven experimenteren. “Samen zorgen we voor een systeem van strafrechtspleging dat aan blijft sluiten bij onze maatschappij en mensen.”