In de reeks ‘Het wetboek van morgen’ belichten we het werk van  professionals die zich inzetten voor de vernieuwing van het Wetboek van Strafvordering. Hoe werken zij samen met andere ketenpartners om het strafproces beter, eerlijker en werkbaarder te maken? Deze keer spreken we met Diederik Greive, vanuit het Openbaar Ministerie (OM) bestuurder bij het Studiecentrum Rechtspleging (SSR), het opleidingsinstituut van de Rechtspraak en het OM, en gedelegeerd opdrachtgever van het programma Wetboek van Strafvordering bij het OM. Tot mei 2025 was Greive hoofdofficier van justitie bij parket Noord-Nederland.

Beeld: © Eigen foto, bewerking: EMMA

1. Hoe houd jij je bezig met het nieuwe Wetboek van Strafvordering? 

Diederik: “Ik ben vanuit het OM bestuurder bij het opleidingsinstituut voor de rechterlijke organisaties, de SSR. Daarnaast ben ik gedelegeerd opdrachtgever van het programma Wetboek van Strafvordering bij het OM. Samen met een collega zorgen we ervoor dat er bij het OM voldoende aandacht is voor de invoeren van het nieuwe Wetboek en de veranderingen die dat met zich mee zal brengen. We letten bijvoorbeeld op de juridische verschillen [tussen de oude en nieuwe boeken] en kijken of nieuwe regelingen werkbaar zijn. Of welke processen en werkwijzen aangepast moeten worden om met het nieuwe Wetboek te werken. Voorbeelden zijn de ICT-ondersteuning en het opleiden van mensen. Meer in het algemeen communiceren we binnen het OM over wat we doen en het belang daarvan.”

2. Waarom is wat jij doet belangrijk voor de strafrechtketen? 

“Verschillende dingen zijn belangrijk, maar als je helemaal naar het einde van de rit kijkt, is het belangrijkste dat het bijdraagt aan de rechtvaardigheid. Het gaat erom dat we een beweging naar voren kunnen realiseren, dat we met het nieuwe Wetboek ervoor zorgen dat burgers beter en makkelijker geïnformeerd worden, dat slachtofferrechten beter gewaarborgd worden en dat ook de toegang tot het recht verbeterd wordt. Door op een andere manier regie te voeren op het strafproces, kan het ook sneller. Snelheid draagt ook bij aan grotere rechtvaardigheid, omdat mensen minder lang hoeven te wachten voordat zaken voor de rechter komen.”

“Een concreet voorbeeld zijn de pro forma-zittingen die nu nog vaak worden gehouden. Dan zijn alle partijen vertegenwoordigd, maar kan de behandeling van een zaak toch niet verder omdat er nog onderzoek moet plaatsvinden. Met het nieuwe Wetboek is het mogelijk om als voorzitter van de strafkamer en als rechter-commissaris meer regie te voeren op al die handelingen die nu leiden tot uitstel [zoals het besluit of een getuige mag worden opgeroepen, red.]. Door het samenspel tussen rechter, advocaat, verdachte en OM kan een snellere afhandeling tot stand komen.”

3. Samenwerking tussen ketenpartners is cruciaal in het traject naar het nieuwe Wetboek. Hoe zie jij dit terug in jouw dagelijks werk? 

“Voor ons is het invoeren van het nieuwe Wetboek een enorme opgave, het wetboek is de ruggengraat van al het werk wat we doen bij het OM. Vanuit onze rol in het strafproces werken we nauw samen met de politie. Wij hebben gezag over de opsporing, en het nieuwe Wetboek brengt veranderingen met zich mee daarvoor, zoals nieuwe bevoegdheden voor de politie. Ook met de rechtspraak hebben we korte lijntjes.”

“In de coördinatiegroep [waarin de programmamanagers zitten van organisaties die zich bezighouden met het nWvSv, red.] zie je de sterke afhankelijkheid tussen sommige organisaties goed terug. Dat staat ook zo in de wet: de Reclassering moet iets doen in opdracht van het OM bijvoorbeeld. Of het OM moet iets doen omdat de rechter dat vindt. In de strafrechtketen zijn er ook organisaties die wat minder ‘vastgeketend’ zitten aan ons als OM, maar samen vormen we wel een belangrijk netwerk. Ook het departement is daarin belangrijk, in hun ondersteunende rol.”

“We krijgen deze klus niet voor elkaar als we het niet met de hele keten samen doen. Want als je er niet gelijktijdig aan trekt, als de een achterblijft terwijl de ander vooruitloopt, dan gaat het uiteindelijk niet werken. Je moet flexibel en tegelijkertijd betrouwbaar zijn. Niet alles zelf gaan bedenken, maar zeggen: hier hebben we een uitdaging, dit was het plan, maar misschien moeten we iets veranderen aan de stappen die we moeten zetten. Dat moet je met elkaar doen. Daarvoor is het overleg in de coördinatiegroep en tussen projectleiders heel belangrijk.”

"‘Het is niet appeltje-eitje. We moeten er hard voor werken om het voor elkaar te krijgen.’"

4. Welk succes heb je de afgelopen tijd geboekt op weg naar het nieuwe Wetboek?  

“Een sleutelmoment voor mij was toen we de Eerste Kamer moesten informeren over de voortgang van de invoering van het nieuwe Wetboek en de ICT-toepassingen die daarvoor nodig zijn. Het is nog wel een opgave om die toepassingen zo te maken, dat het een stabiel en veilig systeem is dat het werken met het nieuwe Wetboek ondersteunt. Dat we daar open en realistisch over waren met elkaar in het gesprek met de commissie van de Eerste Kamer, vond ik belangrijk. Het is niet appeltje-eitje, we moeten er hard voor werken om het voor elkaar te krijgen.”

“Een ander sleutelmoment was toen de wetstekst door de Tweede Kamer ging. Toen er brede overeenstemming bleek over de tekst, hadden we wel een klein feestje hier, en ook in de keten. Die tekst is ongelooflijk belangrijk voor wat we hierna gaan doen. Er komen nog wat aanvullingen, maar de basis is er. Er wordt al jaren gewerkt aan die tekst, al dat juridische gevlooi en gepraat, daar is noeste arbeid in gestoken. Dat is een enorme prestatie.”

“Het is een proces wat je samen moet doorlopen. Je kunt niet in je uppie zo’n tekst vaststellen. Iedereen kan zijn eigen proces wel optimaliseren, maar bij elkaar levert dat niet gelijk een goed werkend en sneller proces op. Je moet concessies kunnen doen en durven vertrouwen op elkaar. Vertrouwen dat we met z’n allen gericht zijn op dat doel van grotere rechtvaardigheid. Je hoort het aan me, ik vind dat hartstikke belangrijk.”

Lessen uit het verleden: de invoering van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek (1992)

“Toen het Nieuwe Burgerlijk Wetboek werd ingevoerd [het grootste deel werd in 1992 van kracht, red.] werkte ik bij de rechtbank. Die invoering was toen ook echt iets groots en er moesten allerlei mensen worden opgeleid. We gingen gewoon aan de slag en toen we eenmaal met het nieuwe wetboek gingen werken, bleek dat prima te kunnen.”

“Ik heb daarvan geleerd dat de mensen die in de praktijk moeten werken met het nieuwe wetboek, daar straks wel een weg in vinden. Ik heb daar groot vertrouwen in. Destijds zag ik: mensen vogelen het zelf uit voor een deel en ze gaan erover in gesprek met elkaar. Je hoeft niet gelijk bang te zijn dat er enorme ongelukken gebeuren. Je kunt denken: als ik mensen maar goed genoeg opleid, dan komt het goed. Maar het gaat pas echt leven als je de praktijk de ruimte geeft. Ik vind het daarom heel belangrijk dat we bij het nieuwe Wetboek kijken wat de invoering daarvan voor de praktijk betekent en dat we de praktijk de tijd en ruimte geven om er wat mee te gaan… tja… apenkooien, zal ik maar zeggen. En dan komt het wel goed.”

5. Waar zie jij de grootste uitdaging in de toekomst? 

“De grootste uitdaging is dat we de beweging naar voren realiseren. Dat het ons daadwerkelijk lukt om nog maar bij uitzondering zittingen aan te houden, bijvoorbeeld. Daarvoor is het heel belangrijk dat de regels en systemen bijdragen aan de werkbaarheid en dat we steeds met elkaar de vraag stellen of wat we doen bijdraagt aan het versnellen en verbeteren van procedures. Ik ben niet tevreden als het nieuwe Wetboek alleen robuuste en veilige systemen oplevert. Ik ben pas tevreden als we er ook in de praktijk goed mee kunnen werken en wanneer dat leidt tot grotere rechtvaardigheid. Dan gaat de kurk er bij mij af.”

“Opleidingen zijn daarin cruciaal: het is een soort scharnier tussen wat je hebt gedaan en de praktijk. Er komt nu een belangrijke fase aan waarin we bij het OM een grote leeropgave hebben, net als de politie. We zijn daarin afhankelijk van de integrale vaststelling van de wettekst. Pas als je weet wat de regels zijn, kun je die gaan leren. Je wil mensen niet gaan opleiden en dan heel lang laten wachten voor ze ermee aan de slag gaan. De timing, doelgroepen en volgorde maakt het een ingewikkelde kwestie.”

“Als je hier heel lang over praat en mee bezig bent, dan lijkt het [de invoering van een nieuwe wetboek, red.] heel complex. Dat is het ook, maar ketensamenwerking is ook heel erg leuk. Het is heel belangrijk dat we de mensen enthousiast aan het werk houden, ondanks alle uitdagingen die er zijn. Dat we er ook plezier in houden. Voor mij is dat nu echt wel zo. Het gaat over ons vak in de volle breedte. Dat is prachtig én het is een donders uitdagende klus.”