Sneller duidelijkheid in zedenzaken

Het Bestuurlijk Ketenberaad stelde onder meer voor zedenzaken een ketennorm vast (zie kader). Wat is het belang van een snelle doorlooptijd bij zedenzaken? Yet van Mastrigt, zedenexpert bij de politie en Andrea Vloedbeld, zedenofficier bij het OM in gesprek met psycholoog Iva Bicanic. Waar zedenrechercheurs feiten en sporen veiligstellen na een zedendelict, stelt zij de ziel veilig.

  • Iva Bicanic is hoofd Landelijk Psychotraumacentrum & Centrum Seksueel Geweld, wetenschappelijk onderzoeker, klinisch psycholoog en psychotraumatherapeut
  • Yet van Mastrigt is zedenexpert bij de politie en lid van het Landelijk Programma Zeden Kinderpornografie en Kindersekstoerisme
  • Andrea Vloedbeld is coördinerend zedenofficier in Oost-Nederland

Waarom is het voor een slachtoffer belangrijk om een zedenzaak snel voor de rechter te krijgen?

Bicanic: “Veel slachtoffers van een zedendelict hebben het gevoel dat ze niet verder kunnen met hun leven, zolang de rechtszaak loopt. Voor het verwerkingsproces is het daarom wenselijk dat die periode zo kort mogelijk is. Elk slachtoffer wil dat zijn aangifte serieus wordt genomen en dat zijn zaak bovenaan de stapel belandt. Helemaal als kinderen het slachtoffer zijn van een zedenmisdrijf, dan willen ouders dat het de hoogste prioriteit heeft.”

Wat is kort?

Bicanic: “In de beleving van slachtoffers een paar weken, maar het kost meer tijd en dat is een teleurstelling. Je kunt niet verwachten dat slachtoffers een realistisch beeld hebben van wat een politieonderzoek behelst.”

Van Mastrigt: “Met informatieve gesprekken proberen we de verwachtingen van slachtoffers te managen. We weten van tevoren nooit hoelang het politieonderzoek gaat duren. Het hele strafrechtproces kan lang zijn, zeker als er een hoger beroep komt. 40 procent van de slachtoffers doet na zo’n gesprek om persoonlijke redenen toch geen aangifte, soms omdat men een lange wachttijd niet aankan.”
Bicanic: “Mensen proberen in te schatten of ze de stress, die aangifte doen met zich meebrengt, zo lang aankunnen. Naast stress brengt een strafrechtproces onzekerheid en machteloosheid met zich mee. Je geeft de controle uit handen. Laat dat nou net de typische kenmerken van een zedenmisdrijf zijn. Niet elk slachtoffer trekt dat nog een keer.”

Dat is de kant van het slachtoffer. Hoe zit het met de verdachte?

Vloedbeld: “Ook voor verdachten is het belangrijk dat het proces snel gaat. Zodra iemand hoort dat hij wordt verdacht, hangt er een zwaard van Damocles boven zijn hoofd. De hele omgeving drukt een stempel op iemand en diegene kan niet verder met zijn leven. Daarnaast is de veiligheid voor de samenleving van belang: is het verantwoord om te wachten? Als er kans is op herhaling of veel onrust, dan handelen we meteen. Maar zaken die prioriteit vragen, vertragen andere zaken weer. De 3.400 zedenzaken die de politie nog in onderzoek heeft, kunnen we niet allemaal prioriteit maken. Dat is frustrerend.”

Wat maakt het politieonderzoek zo tijdrovend?

Van Mastrigt: “Steeds meer delicten vinden digitaal plaats. Het uitlezen van laptops en smartphones is tijdrovend. Daarnaast weten mensen de politie steeds beter te vinden: het aantal meldingen neemt toe. Niet iedereen doet uiteindelijk aangifte, maar iedere melding bekijken we serieus en bespreken we met de officier van justitie. Verder duren de verhoren lang. Vaak is er geen DNA of ander aanvullend bewijs, je moet het doen met wat mensen erover vertellen.”
Vloedbeld: “Mensen onderschatten hoeveel tijd het kost om een goed verhoor af te nemen, zonder afbreuk te doen aan de gevoelens van een slachtoffer. Ook de verdachte moet zijn kant van het verhaal kunnen vertellen. Zo’n verhoor duurt zo een halve dag.”
Van Mastrigt: “En vergeet de invloed van social media niet. Voor je het weet is er onrust in de samenleving. Vijftien jaar geleden kon je in alle rust onderzoek doen, die tijd is voorbij.”
Bicanic: “De omgeving vibreert mee, zowel aan de kant van het slachtoffer als de verdachte. Zeker als er kinderen in het spel zijn. Vaak is er sprake van polarisatie en zijn er believers en non believers: mensen die meteen overtuigd zijn van de schuld van een verdachte of juist het verhaal van het slachtoffers in twijfel trekken.”
Vloedbeld: “Na iedere aangifte maken zedenrechercheurs een plan van aanpak met daarin mogelijke scenario’s. Het toetsen van deze scenario’s kost ook tijd.”

En waarom duurt het vervolgens zo lang bij het OM?

Vloedbeld: “Zedenofficieren lezen de verslagen van alle informatieve gesprekken. Het komt voor dat iemand géén aangifte doet, maar de zedenofficier toch bepaalt dat onderzoek nodig is, bijvoorbeeld als een verdachte met kinderen werkt of als we vrezen voor herhaling. Het beoordelen van zaken kost de nodige tijd. En besluit het OM te dagvaarden, dan kunnen we niet altijd direct een zitting inplannen wegens gebrek aan ruimte. Ook worden er geregeld zaken aangehouden, bijvoorbeeld als we nog wachten op een rapport van het NIFP of de reclassering. Als een zaak wordt aangehouden, duurt het vaak een paar maanden voor de zaak weer op zitting kan worden gepland. Dat zijn voor ons normale termijnen, maar het duurt voor een slachtoffer lang.”

Hoe staat het nu met de doorlooptijden?

Van Mastrigt: “Binnen 7 dagen willen we het informatieve gesprek voeren en bij gevaar of de mogelijkheid van recidive direct. Dat lukt in 66 procent van de gevallen. Binnen 4 weken moet de aangifte op papier staan: dat lukt ons altijd. Na de aangifte heeft de politie een half jaar de tijd voordat het dossier bij het OM moet liggen. Dat lukt nu bijna in 70 procent van de gevallen. Dat percentage zakte vanwege de vele zaken naar 57 procent en zit nu weer in de lift. Iedere maand sturen we de cijfers en grafieken naar alle teamchefs Zeden, zodat ze zien hoe hun eenheid scoort. Verder bespreken we de cijfers met de chefs Zeden.”  
Vloedbeld: “Ook de tien coördinerende zedenofficieren krijgen deze cijfers, zodat ze daarop kunnen sturen.”

Hoe verklaren jullie de verschillen tussen regio’s?

Van Mastrigt: “Amsterdam en Rotterdam scoren al langere tijd goed. De Eenheid Amsterdam is verhoudingsgewijs klein met één centraal gelegen bureau waar mensen aangifte kunnen doen van een zedenmisdrijf. In Oost-Nederland, in het gebied tussen Zwolle tot Culemborg, hebben zedenrechercheurs veel meer reistijd.”

Wat kan er beter in het proces?

Bicanic: “Zedenrechercheurs moeten zeggen wat ze doen en doen wat ze zeggen. Doordat het vertrouwen van slachtoffers is beschadigd, kijken ze door een bepaalde bril naar de wereld, dus ook naar de politie. Als je niet doet wat je zegt, dan is het effect: zie je wel, niemand is te vertrouwen. Aan de beschadigingen als gevolg van het misbruik wil je geen nieuwe beschadigingen toevoegen. Ik denk dat dat mogelijk is, als we ons ervan bewust zijn wat een slachtoffer nodig heeft om te herstellen.”
Van Mastrigt: “Als je belooft te bellen, doe dat dan ook. Mensen zitten echt te wachten op dat telefoontje.”

Wat zouden jullie willen meegeven aan zedenrechercheurs?

Van Mastrigt: “Wees je ervan bewust dat het slachtoffer jou nooit vergeet.”
Vloedbeld: “Een vast aanspreekpunt is belangrijk: één zedenrechercheur die de zaak blijft doen totdat het naar het OM gaat en vervolgens een vaste contactpersoon bij slachtofferzorg van het OM.”
Van Mastrigt: “In verband met de werkdruk willen sommige teams overgaan tot een soort koekjesfabriek, waarbij het werk wordt verdeeld over verschillende zedenrechercheurs. Als Landelijk Programma pleiten we ervoor dat niet te doen. Misschien lijkt het mooi om werk te verdelen, maar je gaat missers krijgen in communicatie en kennisoverdracht.”

Wat is er aan OM-zijde al verbeterd?

Vloedbeld: “We hebben zaakcoördinatoren die ervoor zorgen dat slachtoffers tijdig worden geïnformeerd. Ook bieden we nu in alle zedenzaken een gesprek aan met de zedenofficier die het onderzoek vanaf het begin heeft geleid. Als we een zaak seponeren, dan bieden we een gesprek aan waarin we het slachtoffer uitleggen waarom we de zaak niet voorleggen aan de rechter. Komt er een zitting, dan bereiden we mensen daarop voor: zo ziet de zittingszaal eruit, dit wordt er besproken, zo lang duurt het ongeveer en het is openbaar, dus er kan pers zitten. Als slachtoffers het niet prettig vinden om in dezelfde zaal te zitten als de verdachte, dan kunnen we een video-verbinding regelen in een andere zaal. Ook zijn er speciale wachtkamers, zodat ze niet naast de verdachte of diens familie op de gang hoeven te zitten voorafgaand aan de zitting.”
Van Mastrigt: “Het is hierdoor voor het OM ook tijdrovender geworden.”
Vloedbeld: “Zelf vind ik het erg prettig om voorafgaand aan de zitting te praten met een slachtoffer, zodat ik weet hoe het met iemand gaat. Soms is er iets heel kleins dat belangrijk is; dan wil ik zo’n detail noemen in mijn requisitoir.”

En wat doen jullie er in Oost-Nederland aan om beter te scoren?

Vloedbeld: “Het OM-zedenteam start iedere week met het doornemen van de lijst met zedenzaken die al binnen zijn of eraan komen. Zo kunnen we beter sturen op de doorlooptijden en kijken welke zaken met voorrang onze aandacht verdienen. Kijkend naar de cijfers zie je dat we nog relatief veel zaken te laat beoordelen, buiten de afgesproken termijn van 60 dagen na binnenkomst op het parket. Dat komt omdat we veel oude zaken wegwerken. Als we alleen nieuwe zaken zouden oppakken, dan zouden we cijfermatig beter naar voren komen. In Oost-Nederland hadden we een voorraad van ruim 220 zaken, waarvan meer dan de helft ruimschoots 2 maanden binnen was. Door beter te sturen en zaken goed te verdelen, staan er nu nog zo’n 120 zedenzaken op de lijst waarvan slechts een kwart een te lange doorlooptijd heeft. Daar is vaak iets bijzonders mee aan de hand, zo moeten we wel eens wachten op aanvullend DNA-onderzoek door het NFI. Straks kunnen we met een opgeschoonde lijst verder. Als het goed is, zien we de doorlooptijden de komende tijd verbeteren, zoals landelijk is afgesproken.”
Bicanic: “Bedenk dat er ook veel zaken goed gaan. Ik kreeg net een appje van de ouders van een dochter van 13, over hoe blij en opgelucht ze zijn over de duidelijke uitspraak van de rechter. Ze appten me hoe belangrijk dit is om verder te kunnen met hun leven.”

Ketennorm

Het Bestuurlijk Ketenberaad stelde ketennormen vast voor 7 thema’s, waaronder zeden. Voor de totstandkoming van de voorgestelde normen hebben professionals en verschillende ketenpartners samen de gewenste ontwikkeling en richting voor de komende jaren vastgesteld. Met het uiteindelijke doel om de doorlooptijden te verbeteren. Voor zeden heeft het gesprek hierover plaatsgevonden in een ketenbrede werkgroep  waarin ook Reclassering, NIFP, Slachtofferhulp en advocatuur betrokken waren. Gezamenlijk zijn de volgende normen vastgesteld:

  • Politie: 80% van de zedenzaken (m.u.v. Kinderporno) moet binnen 6 maanden na aangifte door de politie naar het OM zijn gestuurd.
  • Politie: 80% van de Kinderporno-zaken moet binnen 7 maanden na binnenkomst bij de regionale teams bestrijding kinderpornografie en kindersekstoerisme door de politie naar het OM zijn gestuurd.
  • OM: 80% van de zedenzaken moet binnen 6 maanden na ontvangst van de politie op zitting zijn geweest: waarvan 60 dagen voor de eerste beoordeling en 4 maanden tot de eerste zitting.
  • ZM: 80% van de zedenzaken krijgt binnen 3 maanden na zitting 1e aanleg een eindvonnis.